Ongetwijfeld zal de trouwe lezer van Vlieger zich nog de verhitte discussie over de verschillen tussen de Revolution en de Cursor herinneren. Ook op het internet lijkt de spraakverwarring rond vliegerontwerpen toe te nemen. Regelmatig zijn bouwbeschrijvingen van hetzelfde model onder diverse namen beschikbaar. Het is daarom van belang om tot een systematische indeling van de vliegers te komen, zoals ook in de biologie van toepassing is.

Er zijn reeds diverse pogingen gedaan om tot een systematische verdeling van vliegers te komen. Een veelgebruikte verdeling staat afgebeeld in ‘Vliegers zelf maken’ van Harm van Veen (1980). Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen driedimensionale versus vlakke vliegers, dynamische (roterende) versus statische vliegers, en flexibele versus starre vliegers (Appendix L). Deze ‘stamboom’ van vliegerfamilies is regelmatig gekopieerd en aangevuld.

Helaas komt bij deze stamboom veel overlap tussen de diverse “takken” van de stamboom. Immers, diverse vlakke vliegers komen ook in gebogen vorm voor, en kunnen vinvliegers ook worden ingedeeld bij vlakke of gebogen vliegers. Een parafoil met vinnen zou ook bij de vinvliegers worden ingedeeld. En de eigenzinnige vechtvliegers zijn een mengvorm van vlakke en gebogen vliegers.

Daarom ben ik op zoek gegaan naar een alternatieve classificatie van vliegers, aan de hand van diverse vliegerontwerpen. Hierbij is de studie in eerste instantie beperkt tot min of meer eenvoudige ontwerpen, omdat deze zich lenen tot het uitwerken van een classificatie. Nadien kunnen meer complexe ontwerpen dienen als toetsing voor de ontworpen classificatie.

Mogelijke classificaties

Caption

Bij het classificeren van vliegers dienen we te zoeken naar karakteristieken die op vrijwel iedere vlieger van toepassing zijn. Een classificatie op basis van vinvorm of ventielen (vents) zal weinig houvast bieden omdat een groot deel van de vliegers de betreffende karakteristiek niet heeft. De meest voorkomende karakteristieken zijn zeilvorm, stuurlijnen, vliegvlakken en stokkenstelsel.

Weinig aandacht is besteed aan een classificatie op basis van de zeilvorm van een vlieger. Immers, het aantal mogelijke variaties op een bepaalde zeilvorm is welhaast oneindig door coupe’s toe te passen. Een onderscheid tussen diverse soorten vliegers wordt dan erg arbitrair. Daarnaast zal het leeuwendeel van dergelijke variaties weinig invloed hebben op het uiteindelijke vlieggedrag.

Een classificatie aan de hand van het aantal stuurlijnen lijkt in eerste instantie zinvol. Echter, diverse éénlijners kunnen zowel als tweelijner (zoals de Eddy), als vierlijner gevlogen worden. Daarnaast zijn er ook diverse vierlijners ontworpen die met enige kleine ingrepen ook als éénlijner kunnen worden gevlogen, een goed voorbeeld hiervan is de Vluis van Kees Buurman (Vlieger 95/2). Een classificatie van vliegers op basis van de stuurlijnen is daarom weinig zinvol.

Ook een classificatie op basis van het aantal vliegvlakken is overwogen. Hierbij wordt een vliegvlak gedefinieerd als ‘een recht, gebogen of gevouwen vlak waarin het vliegerzeil ligt’. In een dergelijke classificatie word onderscheid gemaakt tussen enkelvlakken (bijvoorbeeld de slee) en veelvlakken (zoals doosvliegers). Deze classificatie is erg abstract, maar verdient verdere bestudering.

De meest werkbare classificatie lijkt die op basis van het stokkenstelsel, of skelet, met name de aan- of afwezigheid en de complexiteit ervan. In een dergelijke classificatie op basis van het stokkenstelsel zijn drie klassen te onderscheiden:

  • Polymorfe vliegers: vliegers zonder enig skelet, of met een semi-skelet dat niet vormvast is. Luchtdruk zorgt bij deze vliegers voor vorm van het model. Voorbeelden van dergelijke vliegers zijn de sleevlieger en de Circoflex.
  • Semi-rigide vliegers: vliegers met een flexibel skelet, waarvan de staander(s) en/of spreider(s) onafhankelijk van elkaar bewegen. Dergelijke vliegers passen hun vorm deels aan de wind aan. Voorbeelden van semi-rigide vliegers zijn de delta-vliegers en de Revolution.
  • Rigide vliegers: vliegers met een stijf skelet van staanders en spreiders. Dit is verreweg de grootste groep van vliegers. De meeste klassieke westerse vliegers, zoals de Eddy en de Della Porta behoren tot deze klasse.

Naamgeving

Caption

Naamgeving blijkt een heikel punt te zijn. In eerste instantie wilde ik gebruik maken van de originele namen van de originele ontwerpen. Het probleem dat hierbij speelt is dat Japanse en Chinese modellen niet eenduidig in het Romeinse schrift zijn weer te geven. Ook zou dit betekenen dat namen wijzigen als een model eerder is ontworpen dan is aangenomen.

Daarom wil ik, in navolging van Linaeus, kiezen voor gebruik van Latijn in de naamgeving van vliegermodellen. Zo kunnen de eerder genoemde klassen “vertaald” worden in Polymorphea (polymorfe vliegers), Pseudorigidea (semi-rigide vliegers) en Rigidea (rigide vliegers). Net als in de biologie, kunnen vliegermodellen per klasse worden verdeeld in ordes, families en soorten.

De Polymorphea zijn tot nu toe onderverdeeld in modellen zonder een stijf skelet (Polymorphaea) en modellen met een stijf skelet (Pseudopolymorphaea). Onder de eerste familie vallen de Rogallo (Newman & Newman 1974), de stokloze slee (VLIEGER 97/4) en de Circoflex (VLIEGER 97/4). De Pseudopolymorphaea bestaat onder andere uit de slee met stokken (Yolen 1976) en de Brandes Flare (Eden 1999). Daarnaast zullen diverse families der parapentes of foils moeten worden toegevoegd aan deze klasse.

Twee zeer bekende onderverdelingen van de Pseudorigidea zijn de Indonesische/Japanse vechtvliegers (Hatta, Vlieger 99/2) en de delta-vliegers (o.a. de Delta-wing, Newman & Newman 1974). De spreiders van deze families bewegen zich onafhankelijk van de staander en stabiliseren daardoor de vlieger. Daarnaast vormen de vierlijnsvliegers met skelet, zoals Airshield (Vlieger 98/6), Boumbx (Vlieger 98/2), Revolution, Synergy en Vluis (Vlieger 95/2), een eigen onderverdeling.

De Rigidea is de meest uitgebreide klasse vliegers, en de voorbeelden zijn talloos. Een greep uit de mogelijkheden zijn Sanjo Rokkaku, Roloplan (Eden 1999), Bermuda (VLIEGER 95/4), en Brogden (Diem & Schmidt 1993). Maar ook de doos- en facetvliegers behoren tot deze klasse. Een verdere onderverdeling van deze klasse zal ter zijner tijd, noodzakelijk zijn om tot een ordelijke verdeling te komen.

28/02/2002 (Dit artikel staat ook online bij VLIEGER)

Bibliografie

Diem, W & W Schmidt 1993, Drachen mit Geschichte; Historische Modellen zum Selberbau, Heinrich Hugendubel Verlag, München, Germany
Eden, M 1999, The magnificent book of kites, explorations in design, construction, enjoyment & flight, Könemann Verlagsgesellschaft GmbH, Cologne, Germany
Newman, LS & JH Newman 1974, Kite craft; the history and processes of kitemaking throughout the world, Crown Publishers Inc, New York, USA
Yolen, W 1976, The complete book of kites and kite flying; how to build and fly over 35 dazzling kites, Simon and Schuster, New York, USA
Veen, H van, 1980, Vliegers zelf maken, Cantecleer, De Bilt

Advertenties