In Zuidoost Azië heeft iedereen meerdere titels. Soms gaat het hierbij om de bijbehorende rangen en standen, zoals Admiraal, Baron of Prins. Maar meestal betreft een passende status-afhankelijke aanspreektitel, van mijnheer/mevrouw – via pleeg, chauf, dok – tot oom/tante, oudere broer en zusje. Het is even wennen, want je wordt gedwongen in een vorm van familieverband. Maar het is wel zo charmant… Moeder Anna, Oom Jaap of Meester Harm – zelfs Broer Konijn – klinkt een stuk beter dan domweg Piet of Kees.

Een dergelijk wij-gevoel heeft ook zijn goede kanten. Aziatische vliegeraars richten zonder problemen nationale vliegerverenigingen op, en onderhouden daarin een soort familieverband op basis van status. Door deze familiariteit zijn zelfs gewone leden sterk betrokken bij de formele mallemolen van verenigingen. En door familiariteit uit te dragen naar potentiële geldschieters, zijn ze in staat uitgebreide fondsen te vergaren voor wereldberoemde vliegerfestivals, zoals de festivals in Pasir Gudang (Maleisië) en Bali (Indonesië).

Een dergelijke familiariteit is voor Nederland niet weggelegd. Wij spreken het liefst onze koningin aan met Trix, en de minister-president wil op de fiets naar zijn werk. Een schoolleraar probeert zich te verlagen tot schoolkind door zich met voornaam aan te laten spreken. Een agent mag vooral zijn status niet gebruiken tijdens het handhaven van de wet. Met het verdwijnen van rangen en standen, verdwijnt ook het statusverschil en wederzijds respect.

Heeft het Nederlands poldermodel de vliegeraar ook zo platgewalst dat wederzijds respect onmogelijk is geworden? Vliegerverenigingen vegeteren doordat leden zich niet betrokken voelen bij de formele grondslagen van hun vereniging. Klein en kneuterig organiseert Nederland vliegerfestivals met enkele honderden Euro’s. Welhaast visieloos doorlopen organisatoren ieder jaar weer de formaliteiten van “hun” vliegerfestival. Vliegerend Nederland heeft het motto van De TegenPartij – ieder voor ze eige! – met hart en ziel omarmd.

07/12/02

Advertenties